Gevelsteen met een schaap
Prinsengracht 578, Amsterdam
Een midden- 18e eeuwse gevelsteen (formaat: 50x 165cm) met een liggend schaap in hoogreliëf. Langs de onderzijde is een indrukwekkend rococo- ornament. De C-vormige voluten langs de zijkanten zijn met bloemmotieven versierd.
Uit: Amstelodamum 1915, jaarboek 13: 'De Hoogduitsche apotheek Prinsengracht 578 door Dr. Joh. C. Breen: 'De titelprent geeft een gezicht op de Prinsengracht bij de Spiegelgracht; langs de laatstgenoemde gracht ziet men op den achtergrond de korenmolen De Spiering, op het bolwerk Amstelveen. Met welwillende vergunning van den eigenaar, den heer L. A. Bouvy, werd dit kiekje genomen naar een schilderij, die zich bevindt in de Hoogduitsche Apotheek der firma N. M. Bouvy & Zoon, Prinsengracht 578.
Het stuk is van de hand van den Amsterdamschen schilder Isaak Ouwater, die in 1793 op nog geen 43-jarigen leeftijd overleed en van wie gezichten op ‘den Onvolmaakten Toren der Nieuwe Kerk’ en op de ‘Sint Antonis Waag’ in het Rijksmuseum berusten. In zijne uitvoerige manier van schilderen doet hij denken aan de grote meester Jan van der Heyden. Het zesde huis op de Prinsengracht, het laatste dat op de schilderij te zien is, is de zo-even genoemde Hoogduitsche Apotheek. Het is merkwaardig dat reeds meer dan anderhalve eeuw in dit huis de farmaceutische kunst is beoefend'.
Gezicht op Prinsengracht en Spiegelgracht. Schilderij uit 1782 van Isaac Ouwater (1748- 1793). © onbekend
De bouwgrond in deze buurt werd in de jaren 1669 en 1670 door de stad verkocht, en zo werd op 8 Januari 1670 Jasper del Beecq eigenaar van twee terreinen, n”. 5 en 6, aan de Prinsengracht, elk breed 22 en diep 100 voet, voor f 1040,-; tevens kocht hij de daarachter gelegen erven aan de Weteringstraat, die bij dezelfde breedte slechts 60 voet diep waren, voor f 440,-. De erven werden echter niet dadelijk met huizen bebouwd; nog in 1703 waren ze met ‘opstallen’ bezet.
In dat jaar werden ze in veiling gebracht, door Regenten van het Burgerweeshuis en Diakenen der Gereformeerde Kerk, als alimenterende de vier kinderen van Jan Jonasse en Grietje Pieters, die voor 231/ 537, en door Matthijs Reuvenigh, als voogd van het kind van Hendrick Claesz. Bosch en Tibbetje Jacobs, dat voor 306/ 537, er recht op had. No. 5 met het er achter gelegen no. 21 vond voor f 1708,- een koper in den boekhouder Jacobus Ruttens. Deze bouwde op het erf no. 5 een huis, dat, blijkens een ten archieve berustend taxatiesregister, in 1706 gereed was.
Ruttens overleed voor April 1713, doch zijn weduwe Alida Salomons droeg het huis eerst 8 December 1728, voor f 5500,- over aan Claes van Eyk, die volgens het poorterboek 'varent man' was. Deze overleed vermoedelijk in 1745; althans op 9 November van dat jaar werd het huis aan de Prinsengracht bij boedelscheiding toegewezen aan Leendert, den zoon van Claes van Eyk uit zijn huwelijk met Hendrina Mulder. De volgende dag werd Leendert van Eyk in het poorterboek ingeschreven als wijnkoper. Het perceel was toen verhuurd aan Jan van Wattens.
De nieuwe eigenaar deed het in 1750 van de hand; den 8ste September van dat jaar droeg hij het over aan Christiaan Baden, Johannes Schnitzler en Johan Frederik Dismar. die er f 8000,- voor betaalden. De eerste genoemde, een Duitser, geboortig uit Bissendorp, had de 16e November 1745 zijn diploma als apotheker verworven. In de oudste lijst van adressen van apothekers, die ik kon raadplegen en die van 1748 dagtekent, komt hij reeds voor als gevestigd op de Prinsengracht bij de Weteringstraat. Vermoedelijk had hij dus toen het huis reeds in huur.
Christiaan Baden overleed 16 Augustus 1775. Hij schijnt ongehuwd te zijn geweest; althans zijne medestanders Dismar en Schnitzler, die ook apothekers worden genoemd, doch van wier toelating mij uit het Amsterdams register van apothekers niets bleek, waren zijn enige erfgenamen. Het huis werd ten behoeve van het collateraal successierecht getaxeerd op f 5.500, en op 16 Januari 1777 door de beide erfgenamen, voor f 14000,- overgedragen aan Johan Coenraad Grauwe, die het reeds 17 Juni 1779 overdeed aan Anthon Maas.
Ook deze Duitser - hij was geboortig uit Oldenburg - had hier op 25 Augustus 1775 zijn apothekersdiploma verworven. Maas overleed reeds in 1783, ene zuster en twee halve zusters, allen in het buitenland gehuwd, tot erfgenamen achterlatend. Dezen lieten huis en winkel verkopen. Eigenaar werd nu Reinhard Ludwig Gottlieb Reuter, die voor het huis f 14000,- en voor de ‘materialen en gereedschappen’ f 2000,- betaalde.
Reuter was, zoals zijn naam reeds aanwijst, ook een Duitser, afkomstig van Middog in Jeverland; 23 November 1779 had hij te Amsterdam het diploma als apotheker verworven. Uit zijn huwelijk met Anna Catharina Elmenhorst overleefden hem drie kinderen: Gerrit Willem, Catharina Dorothea en Johan Ludwig Theodor. Bij scheiding van 9 April 1828, na de dood der beide ouders, werd de laatstgenoemde zoon eigenaar. Ook deze was apotheker.
Hij verkocht het huis voor f 6000,- op 22 Juli 1835 aan den apotheker Wouterus Hermanus Kramer, die op zijn beurt het 27 Februari 1847 overdroeg aan zijn vakgenoot N.M. Bouvy, door wie in 1844 het diploma was verworven. Na zijn overlijden kwam het perceel met de apotheek aan zijn zoon, de heer L.A. Bouvy, die er thans nog is gevestigd. Binnen zit nog de originele apotheekbetimmering, ten dele van rond 1800. Het in de kern 17e- eeuwse huis heeft een gevel onder een later verhoogde lijst met consoles (draagstenen, vanuit het Latijns: con = met en solum = bodem of vloer) en een attiek (de rechte dakbekroning).
___________________________
Tekst: Onno Boers
Huisonderzoek: Hans Brandenburg



