Gevelsteen D 3 OOSTINDISVAERIS

Oudezijds Voorburgwal 14 (zijgevel Oudezijds Armsteeg), Amsterdam

In de diverse litteratuur wordt deze gevelsteen genoemd als typisch ‘uithangteken’ voor een zeemanskroeg. Maar uit het onderzoek van Hans Brandenburg is gebleken dat in dit pand voortdurend kleine ambachtslieden hun beroep hebben uitgeoefend.

De eerste vermelding van deze huisnaam komt voor in een schuldbekentenis uit 1632, van een geldverstrekker i.v.m. de koop van een huis. In deze Schepenkennis van 13 september 1632 wordt een pand omschreven als: ‘huis en erf in de Oude Hoogstraat, waar ‘de Drie Oostindisch vaerders’ uithangen’. Het betreft echter niet het pand in de Bethaniendwarsstraat (het huidige nr. 21) maar, gezien de omschrijving het hoekhuis Oude Hoogstraat 19.

Maar als in 1655 ene Willem Pietersz Hasselaar, van beroep kleermaker, (hij was de koper van het hoekhuis) zijn pand verkoopt, ligt het volgens de omschrijving in de koop/ verkoopakte in de Bethaniendwarsstraat. Hij heeft kennelijk de oude bebouwing laten vervangen door nieuwbouw want in 1653 ging de verponding, een, door de overheid bepaald bedrag, gerelateerd aan de huurwaarde van het huis, flink omhoog. Heeft hij ook het uithangbord ‘De Drie Oostindischvaerders’ van het hoekhuis laten vervangen door de gevelsteen met de drie matrozen in zijn nieuwe pand? Was matrozenkleding wellicht zijn specialiteit. Zijn huis stond tenslotte vlak bij het Oost-Indisch Huis in de Oude Hoogstraat waar jonge mannen zich konden aanmelden voor de vaart naar het Oosten.

De steen vóór restauratie.

In 1655, dus twee jaar na de (ver)nieuwbouw verkoopt kleermaker Willem Pietersz Hasselaar het pand. Nieuwe eigenaar, voor het bedrag van 3002 guldens wordt Coert Dircksz, kommenijhouder van beroep, we zouden nu zeggen kruidenier. Na zijn dood verkoopt Barbara Thijsen, zijn weduwe het pand voor slechts 1000 guldens; het zijn kennelijk slechte tijden.
De nieuwe eigenaar wordt de kammenmaker Isaac van Ronsen.

In de komende jaren zijn er wat uiterst ingewikkelde transacties; in augustus 1709 wordt 7/ 32ste part in het pand verkocht en in november van hetzelfde jaar gaat 9/ 32ste part van het pand in andere handen over. Het is de balansmaker Adriaen Jansz van Ceulen die deze parten koopt. Nog ingewikkelder wordt het als op 6 april 1719 ene Jan Breman een ½ part van een huis koopt waarvan de omschrijving luidt: ‘huis en erf gelegen op de hoek van de Bethaniendwarsstraat waar ‘de Drie Oostindies vaarders’ in de gevel staan. Dit is overigens de eerste en enige keer dat deze huisnaam genoemd wordt.

Het Oost- Indisch Huis aan de Oude Hoogstraat 24, gezien naar de Kloveniersburgwal. Tekening uit 1768 van Reinier Vinkeles (1741- 1816). © Stadsarchief Amsterdam

De enige zekerheid die we hebben dat de gevelsteen met de drie matrozen in de Bethaniendwarsstraat gezeten heeft, is de vermelding ervan in ‘de Uithangteekens’ van Van Lennep en ter Gouw ( 1868, deel 2, pag. 150).  Zij schrijven: ‘Toen ’t voormalig Oostindisch- huis in de Hoogstraat te Amsterdam nog in fleur was, wemelde ’t in de Bethanienstraat en- dwarsstraat van de zeemanskroegen. Van ene daarvan is in de laatstgenoemde straat nog de gevelsteen afkomstig met ‘d’3 Oostindisvaeris’, waarop we drie mannetjes zien, die schijnen afscheid te nemen met de oude Amsterdamse groet ‘Vaarwel, aan de Kaap zien we mekaer weer”.

In 1925 is het huis afgebrand en in het Jaarverslag 1938 van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap wordt vermeld dat het Genootschap in dat jaar de steen heeft aangekocht. Bij het schoonmaken van de steen kwamen oude kleurresten tevoorschijn. In 1943 heeft het K.O.G. de steen in bruikleen gegeven aan de Vereniging Hendrick de Keyser ter inmetseling in de zijgevel van het toen juist gerestaureerde pand Oudezijds Voorburgwal 14.

In de zomer van 2014 kon Wil Abels het charmante steentje (formaat: 43x 63cm) schoonmaken en polychromeren. Uit een mini- onderzoek van Jos Otten kwam naar voren dat zeelieden in die tijd vaak blauw- gekleurde mutsen droegen. Dit gegeven is dan ook in de polychromering van de steen verwerkt.

___________________________

Tekst: Onno Boers
Huisonderzoek: Hans Brandenburg