Gevelsteen ST CHRISPIN

Laurierstraat 165- 167, Amsterdam

In het Amsterdamse Precario- register wordt vanaf 1 mei 1705 vermeld dat de eigenaren van het huis in de Laurierstraat ‘tussen de laatste dwarsstraat en de Baangracht, waar ST CHRISPIJN in de gevel staat’ 10 jaar lang, 80 cent precario per jaar moeten betalen voor de regenbak in de stoep. Deze gevelsteen was duidelijk de beroepsaanduiding van de schoenmaker Melchert Jansz, geboren in 1643. Hij overleed in 1692 en werd op 15 december in de Westerkerk begraven. In 1715 verkopen de erven het pand aan Willem Koelman, ook een schoenmaker.

Via diverse verervingen komt het pand in 1749 weer in de verkoop. Hier wordt voor de eerste keer in een koop/ verkoopakte de naam CHRISPIJN als ‘adresaanduiding’ gebruikt, in latere aktes wordt de naam consequent gebruikt.

Oude afbeeldingen van het huis met de gevelsteen zijn niet bewaard gebleven, maar in het Schetsboek van Jhr. Suasso uit 1875 wordt de steen genoemd op het huisnummer 125. Door latere omnummering wegens sociale woningbouw in het begin van de 20ste eeuw zit de gevelsteen tegenwoordig op Laurierstraat 165- 167, in een gemetselde nisvormige omlijsting boven de ‘monumentale’ ingang van een woningcomplex met de huisnummers 163-  169. Dit complex werd in 1915- 1916 gebouwd in opdracht van P. Smitt, naar ontwerp van Technisch Bureau Joh. G. IJzendoorn.

De steen vóór restauratie.

De steen na restauratie.

Gedenksteen Laurierstraat 212- 216.

In dezelfde tijd verrees in deze straat, tegenover dit complex, ook op initiatief van P. Smitt, een woningblok met de nummers 212- 216. Hier is net als de Chispijn aan de overkant in een gemetselde nis, een gedenksteen aangebracht met een uitvoerige tekst over de financiering van het huizencomplex in het oorlogsjaar 1915/ 1916. Onder de tekst staat de handtekening van de opdrachtgever P. Smitt.

De mansfiguur op de gevelsteen stelt Sint Chrispijn voor. Hij en zijn broer Chrispinianus vluchtten in de derde eeuw vanuit Rome naar Galicië om uit handen te blijven van de christenvervolger Diocletianus. Zij verkondigden daar het geloof en maakten en herstelden gratis schoenen voor arme mensen. Ze worden echter gevangen genomen door de gevreesde prefect Rictius Varius. Hij martelde hen op de meest wrede wijze, hij sloeg o.a. met een hamer schoenmakerspriemen onder hun nagels.

Hij slaagde er echter niet in hen te ‘bekeren’ en verdronk zichzelf. Keizer Maximinianus besloot hen te onthoofden. Wegens hun goede werk voor de armen werden zij de schutspatronen van schoenmakers en andere leerbereiders. Op de gevelsteen is St. Chrispijn voorgesteld met in de linkerhand een hamer (of een zwaard ?) en in de andere hand een typisch halfrond schoenmakersmes, waarboven een klein kroontje.

In opdracht van Woonstichting Y- mere en in samenwerking met de Vereniging Vrienden van Amsterdamse Gevelstenen kon in de zomer van 2013 Wil Abels de steen (formaat: 75x 30cm) restaureren en van kleur voorzien.

___________________________

Tekst: Onno Boers