Gevelsteen HET PACHUYS VAN DE GOVWE WAGEN
Korte Prinsengracht 14- 16, Amsterdam
Hij moet niet onbemiddeld zijn geweest, haringkoper Philips Jansz van der Ley. In 1632 kocht hij een erf aan de westzijde van de Prinsensluis (de huidige Korte Prinsengracht) en in hetzelfde jaar een huis aan de Martelaarsgracht bij de Haringpakkerij, genaamd ‘de Gouden Wagen’.
In 1656 gaf hij opdracht tot de bouw van het monumentale dubbele pakhuis met de trapeziumvormige gevel op de Korte Prinsengracht. Dit pakhuis kreeg ook de naam ‘de Gouden Wagen’. Toen zijn ook de gevelsteen (formaat: 70x 100cm) met koets en de jaartalstenen aangebracht.
Philips van der Ley was in 1626 getrouwd met Marritje Huijberts en in hun gezamenlijke testament, opgemaakt in 1656 wordt o.a. bepaald dat het huis aan de Martelaarsgracht en het pakhuis ‘de Gouden Wagen’ aan de Korte Prinsengracht absoluut niet verkocht mochten worden maar in de familie moesten blijven.
Gezien de jaartalstenen ANNO 1656 kunnen we haringkoper Philips Jansz van der Ley dus wel aanmerken als opdrachtgever tot de bouw van het monumentale dubbele pakhuis met de fraai afgewerkte trapeziumvormige gevel.
Detail van de gevelsteen.
Detail van de gevelsteen.
Pas in 1705 verkoopt Geertruijd van Loo, een ‘late’ nazaat van Philips van der Ley 1/8ste part van beide panden. In de koop/ verkoopakten worden zowel bij het pand op de Martelaarsgracht als bij het pakhuis op de Korte Prinsengracht ‘de Gouden Wagen’ in de gevel genoemd. Later in de 18e eeuw maakt het dubbele pakhuis deel uit van de naastgelegen brouwerij het Anker, zoals blijkt uit een koop/ verkoopakte van 1794. Hierin wordt het dubbelpakhuis ‘de Gouden Wagen’ genoemd als ‘geschikt gemaakt voor de mouterij van de brouwerij’. In hetzelfde jaar wordt het dubbelpakhuis apart van de brouwerij verkocht voor slechts 6550 gulden kontant.
In het boek “Die alten Lagerhauser Amsterdams’ (Dr Magda Revesz- Alexander, 1954) wordt op pag. 91 het dubbelpakhuis beschreven en afgebeeld. Op de foto is de onderpui ‘hasslich verputzt’ oftewel ‘lelijk gestuct’ of ‘slecht gepleisterd’. Deze verbouwing zal gebeurd zijn om het pakhuis geschikt te maken als mouterij. Bij een restauratie in 1993 is zoveel mogelijk de oude toestand hersteld. Toen werd ook de gevelsteen door Jan Hilbers van dikke verflagen ontdaan en in kleur gezet.
De gevelsteen zoals afgebeeld in ‘De Uithangteekens’.
Jacob van Lennep en Jan ter Gouw hebben de steen beschreven in ‘De Uithangteekens” (deel 2, pag. 262): ‘Zeer bijzonder is de Gouwe Wagen op de Korte Prinsengracht: wellicht stelt de vrouw die er in zit, Koningin Semiramis voor, zoals ze weleer in het Oude Doolhof te zien was’. Op de tekening van de gevelsteen zit dan ook duidelijk een voorname dame in de koets.
Op pag. 418 (in het hoofdstuk ‘vraagtekens en opmerkingen’ spreken de auteurs hun verbazing uit over een schilderbeurt die de gevelsteen kort tevoren had gehad. ‘Doch wat is er, sedert onze tekenaar zijn werk verrichtte, gebeurt. De steen is nieuw geschilderd en de verfkwast heeft een wonder gedaan. Koningin Semiramis is herschapen in een heer, niemand kan haar in die vermomming meer herkennen, wel den wagen waarin de Haarlemmerdijker uit de vorige eeuw thans een vrij dwaas figuur slaat. Wij mogen ons nu te meer verheugen de afbeelding te hebben gegeven en daardoor de oorspronkelijke vorm bewaard te hebben’. Kennelijk zat in 1868 het relief toch een beetje dichtgesmeerd want toen in 1993 Jan Hilbers allerlei verflagen verwijderde bleek koningin Semiramis toch echt een voornaam geklede heer met een baard te zijn.
___________________________
Tekst: Onno Boers
Huisonderzoek: Hans Brandenburg





