Gevelsteen TOT HIER TOE HEEFT ONS D HEER GEHOLPEN

Koestraat 44, Amsterdam

In geen van de bewaard gebleven koop/ verkoopaktes wordt een huisnaam genoemd die zou kunnen verwijzen naar de gevelsteen met de staande man. In het Inbrengregister van de Weeskamer van 1636 wordt het pand in de Koestraat omschreven als ‘waar ’t Wapen van Emden’ in de gevel staat. Hetzelfde pand wordt in een koop/ verkoopakte van 1660 omschreven als ‘vanouds genaamd Het Wapen van Emden'. In latere aktes wordt de ligging achter het hoekhuis aan de Kloveniersburgwal als omschrijving gebruikt.

De profeet Samuël. In zijn linkerhand heeft hij de richtersstaf. Op de achtergrond een landschap. Boven op de prent staat een verwijzing naar het Oude Testament (1 Koningen 3.5.1). Gravure van Abraham de Bruyn uit ca. 1550- 1587. © Rijksmuseum Amsterdam

In het precarioregister over de jaren 1746-1765 wordt ene Volkert Hartigh, hij had het huis in 1745 gekocht, aangeslagen voor fl. 1.-.- voor een regenbak voor het huis in de Koestraat, 'het 2de huis ten W. van de Kloveniersburgwal, waar in de gevel staat: 'Tot hier toe heeft ons de Heer geholpen''. Dit is de enige vermelding van de gevelsteen.

De steen (60x 50cm) zit boven de hoge houten onderpui van het twee vensters brede gevel, die afgesloten wordt door een eenvoudige rechte lijst. Hoe het pand er oorspronkelijk uitgezien heeft, is niet bekend. Kennelijk wegens de onopvallende hoge plek en de gedeeltelijke bedekking door een loodflap, wordt de steen niet in de Voorlopige Monumentenlijst (1928) genoemd hoewel Jhr. Suasso (1875) en Van Arkel en Weissman (1903) de steen wel vermeldden. Alings (2de druk, 1948) noemt de steen ‘een heilige’ en schrijft: 'de verflaag bedekt de naam en eventuele attributen'.

Pas na een schoonmaak van de steen in de jaren ’80 van de vorige eeuw, waarbij ook de loodflap die de onderkant van de steen bedekte, verwijderd werd, kon aan de hand van het in smalle letters aangebrachte, twee- regelige onderschrift de ‘oude man die op een pilaar leunt’ een naam krijgen: de Bijbelse profeet SAMUËL.

Samuël leefde zo rond 1050 v. Chr. en komt in twee Bijbelboeken voor. Hij was profeet en richter van de Israëlieten. Richters deden aan rechtspraak en waren in crisissituaties tijdelijk leider van het volk. Er was strijd gaande tussen de Israëlieten en de Filistijnen, een zeevarend volk, tot aan de 11e eeuw voor Chr. machtig in het gebied dat ten oosten aan de Middellandse Zee grenst. De Filistijnen gingen vanaf ca. 600 voor Chr. op in de omliggende volken.

De Israëlieten hadden in het Bijbelverhaal Samuël 1:7, dankzij Gods hulp, een overwinning op de Filistijnen behaald. Om God te danken, plaatste Samuël vlakbij de plek waar de slag gewonnen werd een gedenksteen. Daarbij sprak hij de woorden: ‘Tot hier toe heeft de Heer ons geholpen’. Hij sprak hiermee uit dat het nog maar de vraag was of God daartoe opnieuw bereid zou zijn. Dat hing helemaal af van het gedrag van de Israëlieten en of zij zich eindelijk eens aan Gods geboden zouden gaan houden. Samuël was erg vroom.

Samuël was de laatste richter van de Israëlieten. Hij stelde nog wel zijn zonen naast zich als richter aan, maar die maakten er door corruptie een potje van. Als reactie ging het volk om een koning roepen. De eerste koning werd Saul, die door Samuël tot koning gezalfd en gekroond werd.

De Bijbelverhalen zijn geschreven vanuit het perspectief van de Israëlieten en bezorgden de Filistijnen een slechte naam. De reus Goliath uit het verhaal over 'David en Gotliath' is een Filistijn. De uitdrukking ‘naar de filistijnen gaan’ betekent: iets is volledig vernield en verloren gegaan.

___________________________

Tekst: Onno Boers
Huisonderzoek: Hans Brandenburg