Gevelsteen WALVIS- TRAAN
Keizersgracht 44, Amsterdam
In 2021 was het alweer ongeveer 400 jaar geleden, dat er vijf naast elkaar gelegen en vrijwel identieke pakhuizen, waarvan er nu nog drie bestaan, hier aan de Keizersgracht werden gebouwd. De erven hiervoor waren in 1620 al aangekocht door Ysbrandt Dobbesz. Deze pakhuizen dragen de naam ‘de Groenlandse Pakhuizen’. De pakhuizen zijn gebouwd door enkele participanten in de ‘Noordse of Groenlandse Walvisch Compagnie’. Deze compagnie, later ook ‘Noordsche Compagnie’ geheten, werd opgericht in 1614. In 1642 werd de walvisvaart een vrije onderneming en kwam een einde aan het alleenrecht van de Noordsche Compagnie.
Deze minder bekende handelscompagnie, naast o.a. de Verenigde Oost Indische Compagnie en de West Indische Compagnie, hield zich bezig met de walvisvangst en vooral de winning en verhandeling van walvistraan, een commercieel aantrekkelijk product.
Hoewel in de Compagnie diverse Hollandse steden samenwerkten, voerde Amsterdam in deze organisatie van walvisvaarders de boventoon. Het vangstgebied van de Noordse Compagnie strekte zich uit van de Straat Davis bij Newfoundland tot het Russische Nova Zembla. Voor dit gebied had zij van de Staten Generaal het alleenrecht verkregen. De schepen van de Noordse Compagnie jaagden op de Groenlandse walvis en de Noordkaper. Van de dikke speklaag, de zogenaamde blubber, werd ter plekke in de kolonie Smeerenburg op Spitsbergen levertraan gekookt. Ook de baleinen van de walvissen bleken verkoopbaar: deze gebruikte men in schilderijlijsten, medaillons en later in korsetten.
Detail uit het “Grachtenboek” van Caspar Philips (volledige titel: Verzaameling van alle de huizen en prachtige gebouwen langs de Keizers en Heeregrachten der Stadt Amsteldam) uit 1768. Afgebeeld zijn de vijf Groenlandse Pakhuizen.
In de Groenlandse Pakhuizen was er, naast opslag van de levertraan en andere producten afkomstig uit de walvisvaart, ook woongelegenheid voor de participanten en vergaderruimte voor de Amsterdamse Kamer van de Compagnie aanwezig. Op de benedenverdiepingen van de nu nog overgebleven ‘Dry Traenpackhuysen’ was de levertraan opgeslagen in zestig gemetselde ‘traanputten’, ieder 2,40 meter diep. Elke put kon 10.000 liter traan bevatten. De levertraan lag hierin, in afwachting van verdere verwerking tot zeep of lampenolie. Ook kon het hier in tijden van slechte marktprijzen worden bewaard, tot het weer meer opleverde. Ook op de zolders werd traan opgeslagen in grote vaten. Bij de restauratie in 1922 werden enorme vloerverzakkingen door overbelasting geconstateerd.
Het moet in de pakhuizen vroeger behoorlijk gestonken hebben omdat levertraan, anders dan nu, vaak onzuiver was en snel oxideerde, wat leidde tot een sterke geur van rotte vis. Traan mocht in alle vijf pakhuizen door een keur uit 1685 al niet meer opgeslagen worden. Vanaf die tijd was de opslag van traan alleen nog toegestaan op de Nieuwe Teertuinen op de Westelijke eilanden.
Van de vijf vrijwel identieke Groenlandse Pakhuizen zijn er twee (de nummers 36 en 38, ‘de Bycorff’ en ‘de Slokop’ genaamd) na een brand, kort voor 1875, afgebroken. Op de vrijgekomen plek werd een school gebouwd. De andere nu nog bestaande pakhuizen zijn in 1978 onder leiding van architect G. Prins gerestaureerd en tot 19 woningen ‘omgebouwd’. De steen WALVIS- TRAAN is door beeldhouwer Jan Hilbers in opdracht gehakt ter viering van het 400 jarig bestaan van de Groenlandpakhuizen in 2021. Als een verwijzing naar de levertraanputten die onder deze pakhuizen hebben gelegen, bedachten Jan Hilbers en Jos Otten, onafhankelijk van elkaar, de traan uit het oog van de walvis, hierbij denkend aan het verhaal van ‘Moby Dick’. Hilbers dacht hierbij ook aan al het leed dat deze prachtige dieren, bij de jacht erop, aangedaan was.
De onthulling vond plaats op de verjaardag van het pand gevolgd door een symposium over walvisvaart in het ‘Huis met de Hoofden’. Om het fraaie oude metselwerk van de pakhuizen in tact te laten is gekozen voor het aanbrengen van de steen óp de gevel, in plaats van in de gevel.
___________________________
Tekst: Pancras van der Vlist en Jos Otten



