Gevelsteen D’ PELLECAEN

Bloemstraat 20, Amsterdam

Het huidige pand Bloemstraat 20 heeft een eenvoudige, drie vensters brede, laat 19de eeuwse lijstgevel waarin tot september 2001 de gevelsteen met de pelikaan onder het middenvenster van de derde verdieping zat, nauwelijks zichtbaar vanaf de straat. In dat jaar kon de VVAG, op verzoek van de eigenaar Ritman de totaal dichtgesmeerde steen opknappen.

Toen de VVAG voorstelde de steen lager in de gevel te plaatsen ging de heer Ritman daarmee akkoord en kreeg de pelikaan zijn huidige plek. De Monumentenlijst van 1928 dateert de gevelsteen in de eerste helft van de 17de eeuw, maar huisonderzoek van Hans Brandenburg heeft uitgewezen dat de huisnaam ‘de Pellikaan’ in 1743 voor het eerst gebruikt wordt.

Oudere, 17e- eeuwse koop/ verkoopaktes betreffen voornamelijk de twee huisjes in de, links van het pand gelegen Naaldenmakersgang en in deze aktes wordt het huis aan de Bloemstraat omschreven als ‘waar Abrahams Offerhande’ uithangt, een pelikaan wordt niet genoemd.

In een akte van 1714, als eierkoper Augustinus Pijper twee huisjes in de Naaldenmakersgang koopt, lezen we echter in de akte: “twee achterhuisjes en erven, gelegen vooraan in de Bloemstraat in de Naaldenmakersgang, waar ‘Abrahams Offerande’ op de hoek placht uit te hangen”. Mogen we hieruit opmaken dat er nieuwbouw was verrezen en dat ‘Abrahams Offerhande’ vervangen was door ‘de Pellikaan?’.

Toen, of kort daarna heeft waarschijnlijk ook de gang rechts van het huis de naam Pelikanengang gekregen zoals te zien is op de kaart van Loman (1875). De, al in de 17de eeuw genoemde Naaldenmakersgang, toegang gevend naar de twee achterhuisjes, links van het huis heeft op de kaart van Loman geen naam, vreemd.

De steen vóór restauratie. © Archief VVAG

Bovengenoemde opknapbeurt heeft het kleine (45x 45 cm) steentje z’n charmante allure weer teruggegeven. Hoewel het er duidelijk onder staat is de voorgestelde, op haar nest met drie jongen zittende vogel geen pelikaan, eerder een gier- achtige vogel met een korte gebogen snavel.

De vogel pikt zich in de borst en voedt haar drie jongen met haar eigen bloed, een symbool van de opofferende moederliefde. De verwarring gier/ pelikaan gaat terug tot de Phisiologus, een Grieks geschrift uit de tweede eeuw na Christus. Daar wordt beschreven dat de jonge pelikaantjes de moeder in het gezicht pikken. Deze doodt haar kinderen maar krijgt na drie dagen spijt. De moeder prikt met haar snavel haar borst open en wekt haar jongen met het uitvloeiende bloed weer tot leven.

Het verhaal zal ontstaan zijn doordat de pelikaan, zittend op haar nest, haar jongen voedt met roodachtig, halfverteerd voedsel uit haar keelzak. Tot in het begin van de 17de eeuw was er in de Lage Landen geen juiste afbeelding van een pelikaan beschikbaar vandaar dat alle oude gevelstenen met ‘pelikanen’ de vogels niet de kenmerkende lange snavel met keelzak hebben, maar een korte roofvogelachtige snavel.

___________________________

Tekst: Onno Boers
Huisonderzoek: Hans Brandenburg