Gevelsteen met een schuit met bomende man
Bloemstraat 170- 172, Amsterdam
Boven de pui van het eenvoudige tuitgeveltje Bloemstraat 174 zat, tot de afbraak voor historiserende nieuwbouw een klein (44x 40cm) gevelsteentje met een bomende man in een schuit. Het reliëf, dik onder de gebarsten donkergroene verf waarmee ook een deel van de gevel beschilderd was, stond al lang op het VVAG-verlanglijstje van te restaureren objecten.
In juli 2003 werden wij getipt over de plannen van Architectenbureau Dik Smeding b.v. om de totaal verkrotte panden 164- 176 te vervangen door historiserende nieuwbouw met hergebruik van bouwkundige details, (dus ook de gevelsteen) hebben wij direct contact opgenomen.
De steen vlak na dat deze uit de oude gevel gehaald is.
In maart 2006 was de afbraak zover gevorderd dat de gevelsteen los kwam en voorlopig opgeslagen kon worden achter de voordeur van het toenmalige secretariaat in de Van Breestraat.
In de loop van het najaar keert het steentje, gerestaureerd door Koos van der Zwaal, weer terug naar zijn oude plek in de Bloemstraat. Bij het moeizaam verwijderen van de dikke laag groene verf kwam Van der Zwaal diverse kleursporen tegen aan de hand waarvan hij het reliëf heeft kunnen polychromeren.
Het voorgestelde bootje is een z.g. steigerschuit, de man in de schuit wordt is de steigerschuitenvoerder genoemd. De steigerschuitenvoerders waren met de roeischuitenvoerders verenigd in het roei- en steigerschuitenvoerdersgilde.
Stadshistoricus Wagenaar zegt in zijn Stadsbeschrijving het volgende over dit gilde. “Tot hetzelfde behooren niet alleen zulke gildebroeders, die groote of kleine Roeischuiten hebben, dienende om persoonen of goederen te vervoeren; maar ook zulken, die Steigerschuiten houden, dienende voornaamlijk tot het van of naar boord voeren van Koopmansgoederen.
Zij worden niet, gelijk de voorgaanden, met riemen, maar met haaken en boomen bestierd, en dragen de naam van Steigerschuiten, omdat zij hunne gewoonlijke ligplaats hebben aan steigers die hier en daar in de Stad, met name langs den Y- kant gevonden worden”.
Volgens een keur van 1766 moesten de steiger- of zolderschuiten aan de oostzijde en de roeischuiten aan de westzijde van de Kamperhoofdssteiger hun ligplaatsen hebben.
___________________________
Tekst: Onno Boers



