Gevelsteen DE SON
Bloemgracht 160, Amsterdam
In 1619 koopt Jan Gras, beroep koopman, twee erven naast elkaar op de Bloemgracht n.z. tussen Lijnbaansgracht en de Rode Leliestraat (=huidige Nieuwe Leliestraat). De erven zijn beide 20 voet breed (=ruim 5 1/2 m.). In 1648 zullen hier Bloemgracht 158 en 160 verrijzen zoals blijkt uit een verklaring van Marten Abrahams Cruijft. Als Cruijft in 1656 het huidige nr. 160 verkoopt luidt de omschrijving: ’huis en erf op de Bloemgracht n.z. waar “de Son” in de gevel staat’, dit is de eerste keer dat de huisnaam ‘de Son’ gebruikt wordt. In hetzelfde jaar verkoopt Cruijff het buurhuis (het huidige pand nr. 158), waar ‘de Maen’ in de gevel staat.
In de koop/ verkoopakte wordt de gemeenschappelijke muur genoemd en ook de schutting vanaf deze muur tot aan de achtergelegen Nieuwe Leliestraat. De secreetkuil en de regenwaterbak achter de huizen is gemeenschappelijk en moet op ‘gemene’ kosten onderhouden worden. De koop/ verkoop prijzen waren per pand verschillend, dit zal te maken hebben met de verschillen in breedte van de panden.
Koper van ‘de Son’ was ene Barent Lambertsz Welius, van beroep zijdewerkstopper (de vakman die kleine gaatjes in zijden stoffen repareert) In andere aktes wordt hij als koopman opgevoerd en hij bezat goederen in Amerika (Nieuw- Nederland). In 1661 verkoopt hij zijn pand ‘de Son’. In de koop/ verkoopakte wordt ook weer het naastgelegen pand ‘de Maen’ genoemd.
Het fronton van Bloemgracht 158, met daarin de cartouche met een halve maan. Foto: Anthony Kolder
De eigenaar hiervan, Matthijs Halma, moest nog steeds het gebruik van de secreetkuil en de regenwaterbak delen met de eigenaar/ gebruiker van ‘de Son’. Enkele jaren later, in 1667 gaat het pand ‘de Son’ alweer in andere handen over. De nieuwe eigenaren, voor een bedrag van fl. 5400.-.- worden Egbert Outhuys, pasteibakker, en Jan Trier, koopman van beroep. Kennelijk kochten zij het huis ‘de Son’ als beleggingspand, want in 1702 verkoopt Sibilla Trier, dochter van Jan Trier, een half part van het huis en erf op de Bloemgracht, en in 1703 verkoopt ene Pieter de Winter, gehuwd met Anna Lucas Smit, medeerfgename van haar oom Egbert Outhuijs, het andere halve part van ‘de Son’.
Koper van beide parten is Jacob de Winter, notaris van beroep, hij wordt dus eigenaar van het hele pand. Voor elk halve part betaald Jacob de Winter fl. 1950.-.-. De waarde van het pand was dus, vergeleken met wat Outhuijs en Trier in 1667 betaalden, flink achteruit gegaan. Nog minder waard bleek “de Son’ bij de verkoop in 1806 toen Thomas Dirk Rassche, hij was in 1801 eigenaar geworden van een suikerraffinaderij met woning en pakhuis aan de overzijde van de Bloemgracht, het pand kocht. Hij betaalde voor het hele pand de somma van fl. 1950.-.-
Bloemgracht 160, met de 17e- eeuwse gevelsteen ‘de Son’ is een twee vensters brede eenvoudige gevel, afgedekt door een onversierde lijst. Het eenvoudige gevelsteentje (formaat: 50x 55cm) met de aanziende, stralende zon zit in het midden van het fries boven de hoge pui. Het buurhuis nr. 158 is drie vensters breed en voorzien van een rijk versierde halsgevel, bekroond door een halfrond fronton met daarin een cartouche met een halve maan.
Beide gevelversieringen hebben weinig aandacht gekregen in de desbetreffende literatuur. Jonkheer Suasso vermeld ze beide in zijn ‘Schetsboek” (1875) maar de Noord-Hollandsche Oudheden (VI de stuk, 1903, pag.15) noemt allen de steen met de zon op nr.160. De samenstellers hebben kennelijk niet omhoog gekeken, het fronton met de maan vermelden ze niet. Ook de Monumentenlijst (1928, pag.167) noemt alleen: Bloemgracht 160: Gevelsteen (XVII) met zon en “De Son”.
___________________________
Tekst: Onno Boers
Huisonderzoek: Hans Brandenburg



